|
|
 |
|
Deel 2 Groen verkiezingsprogramma |
Op deze pagina treft u informatie aan over een groene partij welke raakvlakken heeft met Www.Energie51.nl Dezerswege dan ook de plaatsing ervan.
Energie & geld besparen: klimaatverandering, global warming, milieuvervuiling, energiebesparing & brandstofbesparing.
- Deel 2 Groen verkiezingsprogramma.
2. Duurzaam platteland ‘Het’ Vlaamse platteland bestaat niet, wel een verscheidenheid aan plattelandsgebieden die best niet verstedelijkt worden. Landelijke gemeenten voeren een bewust beleid om kernen te versterken en geen woonuitbreidingsgebieden of bedrijventerreinen meer aan te snijden. Leefbare dorpen nemen zelf verantwoordelijkheid op voor hun basisvoorzieningen en –diensten. Het draagvlak van het dorp is de maat. Een polyvalente zaal is op maat van een dorp, een schouwburg is bovenmaats. Soms is mobiele dienstverlening een oplossing. Landelijke gemeenten kunnen zelf hun boontjes doppen. Steun dus voor de versterking van een eigentijdse dorpssamenleving of dorpsopbouw. Het platteland heeft voldoende economische troeven om uit te spelen: • Veilig voedsel uit duurzame landbouw : transparantie van lokale producenten ten aanzien van de consumenten
• Nieuwe netwerken van diensteneconomie: een dienstencentrum per hoofddorp voor de eerstelijnszorg, (inter)gemeentelijke dienstenwinkels
• De verwevenheid van zachte recreatie (wandelen, fietsen, maar b.v. ook hoevetoerisme) en streekvoorzieningen. De cultuurhistorische schoonheid van het platteland moet behouden blijven en toeristisch uitgespeeld worden.
• Werk maken van milieu- en natuurwaarden door een offensief groenbeleid, door behoud van flora en fauna, door historische landschappen te vrijwaren,
• Kiezen voor de productie van groene energie: zonne-energie en energie uit water, wind, biomassa en warmtekrachtkoppeling.
• Groen! gaat ook voor GGO-vrije gemeenten die op hun grondgebied geen GGO-gewassen toelaten.
3. Reclaim the streets: publieke ruimte heroveren Straten, pleinen en parken zijn het hart van onze steden en gemeenten. Groen! komt op voor het behoud van die publieke ruimte. Publieke ruimte is ruimte voor kwaliteit van leven, ontmoeting, diversiteit, democratie, publiek debat en samenspraak. • Groen! verzet zich tegen de privatisering van delen van het openbaar domein of de vervanging van publieke door commerciële ruimten. Groen! ijvert voor een reclame-arm publiek domein in plaats van een steeds grotere commercialisering van onze leefomgeving.
• Groen! wil terug meer publieke ruimte creëren. De gemeente kan hiervoor gebruik maken van verloren hoeken in de gemeente, tijdelijk braakliggende gronden of leegstaande gebouwen. Pleinen die verworden zijn tot parkeerruimten willen we heroveren op de auto. Groen! wil straten, pleinen, openbare gebouwen die voor iedereen toegankelijk zijn, bijv. ook voor mensen in een rolstoel, doven, slecht zienden.
• Groen! wil geen ‘gated communities’. Grote bouwblokken en kantoorcomplexen mogen geen obstakels tussen buurten vormen. Dergelijke bouwblokken willen we doorwandelbaar maken en we willen de publieke functie gelijkvloers steeds vrijwaren.
• Speelplaatsen van scholen of parkings die leegstaan na school- en kantooruren kunnen ingezet worden als speelplaatsen of ontmoetingsruimten. Er kan gewerkt worden met buurtcontracten en ‘buurtpeters’ om het toezicht op deze plekken te verzekeren. De overheid stimuleert scholen en bedrijven om hieraan mee te werken.
• Groen! komt op voor voldoende publieke voorzieningen (rustpunten – zitbanken – uurwerken – toiletten - postbussen).
• De stedelijke overheid moet een sterker grond- en pandenbeleid ontwikkelen om de markt (bij) te sturen. Daarom mogen autonome gemeentebedrijven, die betrokken worden bij stadsontwikkeling en/of vernieuwing en bij het grond- en pandenbeleid van de gemeente, enkel vertrekken van het openbaar belang en zich niet inlaten met speculatieve particuliere ontwikkelingen. PPS-constructies kunnen enkel in functie van het sneller realiseren van sociale voorzieningen, sociale huisvesting en/of stadsvernieuwing. Openbaarheid van besluitvorming over het beleid in zake stedelijke ontwikkeling en toezicht door gemeenteraadsleden op belangrijke beslissingen moeten gegarandeerd blijven.
• Gezinnen of bedrijven die bij (ver)bouwen spaarzaam omspringen met grondbeslag willen we belonen: gedeeld of meervoudig gebruik van ruimte willen we stimuleren.
• Groen! vindt dat kinderen en jongeren in elke stad, wijk of dorp onbekommerd en veilig hun ding moeten kunnen doen: spelen, voetballen, fietsen, skaten, ‘rondhangen’, enzovoort. Natuurlijk met respect voor de andere burgers, maar aan de toenemende onverdraagzaamheid moet een halt worden toegeroepen.
4. Maximumfactuur voor huur Gemeenten zorgen mee voor betaalbaar wonen. Dit wil zeggen dat er meer sociale woningen moeten komen voor de laagste inkomens, maar ook dat er geïnvesteerd wordt in de private huurmarkt. De verschillende overheden samen moeten minstens evenveel investeren in de betaalbaarheid van de huurmarkt, als ze nu investeren in eigendomsondersteunende maatregelen. 4.1 Renovatie actief steunen • Gemeentelijke renovatiepremies. De gemeente kan als aanvulling op premies van hogere overheden ook eigen renovatiepremies uitkeren (b.v. gevelverfraaiingspremie, saneringscontracten).
• Renovatiepremies voorfinancieren. Ook voor eigenaars-bewoners is de woonkost een grote hap uit hun budget. Vaak hebben zij niet meer de middelen die nodig zijn om renovaties uit te voeren waardoor de woonkwaliteit vermindert. Een systeem van renteloze leningen of een voorfinancieringsfonds kan ervoor zorgen dat ook lage inkomensgroepen gebruik kunnen maken van premies.
• Renovatiepremies in de strijd tegen speculatie. Wie beroep doet op een renovatiepremie mag zijn huis gedurende 5 jaar niet verkopen. Eigenaars-verhuurders die een premie krijgen moeten nadien hun woning verhuren aan de richthuurprijs1 of laten verhuren door een sociaal verhuurkantoor.
4.2 Actief aanwenden van het woonpatrimonium van de gemeente • Gemeenten met een eigen woonpatrimonium kunnen op lokaal vlak marktregulerend optreden door hun woningen te verhuren aan richthuurprijzen.
• De lokale overheid (gemeente, OCMW, sociale huisvestingsmaatschappijen) maakt actief gebruik van het voorkooprecht.
4.3 Meer sociale woningen • Drastische uitbreiding van het aantal sociale woningen. Groen! wil het aanbod van kwalitatieve sociale huisvesting verhogen en de wachtlijsten verminderen, met nadruk op 1 Groen! heeft een voorstel voor het vastleggen van een richthuurprijs op gewestelijk niveau. In afwachting/ bij gebrek daaraan, kan de gemeente zelf een alternatief voorstellen: zo kan in Antwerpen een saneringscontract enkel toegekend worden aan particulieren die hun woning verhuren aan een huurprijs die maximum vijf keer het geïndexeerde kadastraal inkomen mag bedragen met een maximum van 400 euro per jaar. kleinschalige wijkprojecten. Alle gemeenten moeten hierbij hun verantwoordelijkheid opnemen. Het kan niet dat bepaalde, vooral rijkere, gemeenten nog niet of amper over sociale woningen beschikken. • Bij nieuwe woonprojecten waarborgen gemeenten een gezonde mix van normale kavels, sociale kavels en sociale huur/koopwoningen op. 4.4 Het aanbod van sociale verhuurkantoren vergroten en verbeteren Sociale verhuurkantoren huren woningen op de private huurmarkt en verhuren die dan door aan sociaal kwetsbare huurders. Sociale verhuurkantoren zorgen er dus voor dat lage inkomensgroepen een betaalbare woning vinden op de privé huurmarkt. • Een sensibiliseringscampagne om eigenaars aan te zetten hun woning te verhuren via een sociaal verhuurkantoor.
• Eigenaars die hun woning verhuren via een sociaal verhuurkantoor willen, we aanmoedigen door middel van renovatiepremies. Op deze manier werkt de gemeente tegelijk aan de kwaliteit en de betaalbaarheid van de private huurmarkt.
4.5 Een gemeentelijk woonloket, dat mee de leegstand aanpakt • In elke gemeente komt een toegankelijk en laagdrempelig woonloket dat elke vraag van burgers over wonen beantwoordt. Mensen kunnen er terecht voor advies, premies, en uitleen van materiaal.
• Het woonloket monitort ook de leegstand in elke gemeente en adviseert de gemeente om deze leegstand aan te pakken en coördineert zo de kordate aanpak van ongezonde en leegstaande woningen.
• Om de leegstand te bestrijden, int de gemeente een heffing op leegstand, verwaarlozing en verkrotting.
4.6 Huursubsidies • Naast de gewestelijke huursubsidies komen OCMW’s nu al in bepaalde gevallen tegemoet in de huurwaarborg van lage inkomens. Groen! wil aanvullend gemeentelijke huursubsidies om de private huurmarkt toegankelijk te maken voor lage inkomens. Een noodzakelijke voorwaarde is dat er tegelijk werk gemaakt wordt van een uitbreiding van het aantal sociale woningen en investeringen in de betaalbaarheid en kwaliteit van de private huurmarkt. Een huursubsidie moet een hulp zijn voor de huurder met een laag inkomen, maar mag geen subsidie van eigenaars zijn. Daarom wil Groen! als voorwaarde opleggen dat de woning gehuurd wordt via een sociaal verhuurkantoor of aan de richthuurprijs. 2 4.7 Aandacht voor precaire woonsituaties Groepen die bewust kiezen voor alternatieve woonvormen moeten een volwaardige plaats krijgen in het woonbeleid. We denken aan woonwagenbewoners, zowel op een vaste plaats als rondtrekkers. Personen die echter noodgedwongen in een dergelijke woningsituatie terecht komen moeten uitzicht krijgen op een andere woning. • In de eerste plaats is er een forse verhoging nodig van het aantal sociale woningen. In Vlaanderen zijn er 5000 caravanbewoners, waarvan 90% in aanmerking komt voor een sociale woning.
• Er moet een hechte samenwerking komen tussen woon- en welzijnsbeleid wat betreft de opvang van thuislozen, asielzoekers, mensen zonder papieren, …
• Lokale opvanginitiatieven voor asielzoekers moeten aan minimale kwaliteitseisen beantwoorden.
• Sociale verhuurkantoren moeten ook openstaan voor deze doelgroep. Daarom wil Groen! dat zij 10% van hun panden kunnen verhuren aan personen die hun inkomsten niet kunnen bewijzen zonder dat ze daarvoor subsidies verliezen.
• Gemeenten (zeker de grotere steden) nemen mee hun verantwoordelijkheid op in de thuislozenzorg, bijvoorbeeld door ruimte te voorzien voor vormen van nachtasiel, door voldoende publieke voorzieningen (b.v. sanitair).
4.8 Racisme en uitsluiting tegengaan Groen! pleit voor een duidelijk beleid dat racisme en uitsluiting op de huurmarkt tegen gaat. Personen van een andere origine, personen met een precair verblijfsstatuut, mensen zonder 2 Zie voetnoot 1 papieren of personen met een vervangingsinkomen worden vaak geweigerd en worden makkelijker slachtoffer van huisjesmelkerij. • Kandidaat-huurders worden onder andere via het gemeentelijk woonloket worden over hun rechten, eigenaars moeten aangesproken worden op hun plichten.
• Er is nood aan strikte maatregelen tegen huisjesmelkerij.
• De werking van sociale verhuurkantoren wordt uitgebreid (zie 4.4).
5. Duurzaam wonen – duurzaam bouwen - duurzaam verbruiken Duurzame woningen zijn woningen met een lage ecologische voetafdruk, ze verbruiken en vervuilen weinig. 5.1 Sociale woningen = lage energiewoningen Groen! wil de energiekosten van sociale huurders drastisch verlagen:
• Alle nieuwe sociale woningen moeten minstens lage energiewoningen zijn.
• Bestaande sociale woningen worden energievriendelijk gerenoveerd.
• Alle nieuwe sociale woningen doen maximaal beroep op hernieuwbare energie, zoals zonne-energie.
• De daken van sociale woningbouwcomplexen zijn ideale plaatsen om zonnecollectoren te installeren. Bij elke verandering van verwarmingssysteem en bij elk nieuwbouwproject moet er systematisch gekozen worden voor zonneboilers.
5.2 Duurzaam bouwen stimuleren • Gemeenten kiezen zelf voor duurzaam en gezond bouwen. De gemeente werkt met een duurzame checklist voor gemeentelijke bouwprojecten, maakt gebruik van hout met FSC-label, natuurverven, breekpuin met COPRO-keuring, zorgt voor gevelgroen, daktuinen en groendaken,…
• Gemeenten stimuleren duurzaam bouwen door hun inwoners via informatie en sensibilisering, via subsidies (b.v. voor gebruik van FSC-hout, natuurverven, isolatiematerialen uit nagroeibare grondstoffen) en via het vergunningsbeleid.
• Duurzaam bouwen gaat verder dan duurzame bouwmaterialen. Het gaat ook over zuinig omspringen met woon- en kavelruimte en een hoge benuttingsdichtheid. Slimme woonvormen, een woonlaag extra of kwalitatieve hoogbouw, betekenen minder aan te snijden kavels. Door meervoudig gebruik van ruimte en infrastructuur kan zeker in landelijke gemeenten in voldoende basisdiensten voorzien worden.
6. Terug investeren in sociale wijkvernieuwing In de jaren 70 was er veel aandacht voor sociale stadsvernieuwing. Met de opgang van het neoliberale denken in de jaren 80, kregen de privé-ontwikkelaars meer armslag. Sociale stadsvernieuwing moest wijken voor (prestige)projecten van economische stadsontwikkeling. Grote en kleine steden kiezen nu dikwijls voor “city marketing”. De stad wordt een product dat men aantrekkelijk wil maken voor toeristen, shoppers, mogelijk nieuwe bewoners met veel koopkracht en bezoekers van evenementen. Dikwijls gaat dit ten koste van de bewoners zelf, of worden andere delen van de stad achterop gesteld. 6.1 Sociale wijkvernieuwing ten gunste van de bewoners Groen! pleit voor projecten van ambitieuze sociale wijkvernieuwing die de bewoners zelf ten goede komen. Wijkontwikkelingscontracten moeten opgezet worden met alle partners: de lokale overheid, sociale huisvestingsmaatschappijen, en vooral met de bewoners. Hiermee willen we werken aan kwaliteit in de wijk: aantrekkelijk groen met veel ontmoetingsruimte, verkeersluw en met inzet van duurzame materialen. Wijken met betaalbare, energiezuinige en een veelzijdig aanbod van goede woningen. Niet enkel nieuwe appartementen, maar ook rijwoningen voor jonge gezinnen. Groen! wil wijken die open staan voor veelzijdigheid, diversiteit, solidariteit, waarin bewoners een stem hebben in de ontwikkeling van hun wijk. Voor achtergestelde gebieden kunnen herwaarderingsprojecten opgezet worden om de woon- en ruimtelijke kwaliteit fors te verbeteren. Bij de uitwerking van deze projecten moet er bijzondere aandacht gaan om elitaire “verlofting” en sociale verdringing te vermijden. Deze herwaarderingsprogramma’s combineren minstens 4 maatregelen: het realiseren van sociale huurwoningen, het steunen van renovatie voor eigenaars-bewoners en eigenaars-verhuurders, vernieuwing van panden die te slecht zijn om te renoveren, het streng aanpakken van leegstand en verkrotting door afbraak van de slechtste panden.
6.2 Verbeteren van de buurtinfrastructuur voor meer kwaliteit in de wijk Gemeenschapsvoorzieningen zijn essentieel voor elke woonbuurt. Zij zorgen voor een sociale dynamiek en maken zo de stad leefbaar. Zij hebben een belangrijke ontmoetingsfunctie en versterken de sociale cohesie. Het gaat hier om scholen, buurtdiensten, buurthuizen, bibliotheken, politieantennes, sportzalen, verenigingslokalen, feestzalen, winkels, medische centra, cafés, theehuizen, bankautomaten, … • Openbare buurtuitrusting moet een zichtbare ereplaats krijgen in de woonomgeving. Architecturaal moet gestreefd worden naar een hoge stedelijke kwaliteit van internationaal niveau.
• Sociale, culturele én economische (gediversifieerde keuze van buurtwinkels) buurtinfrastructuur moet opgewaardeerd worden.
• Scholen moeten aangemoedigd worden een buurtfunctie te ontplooien buiten de lesuren
• Buurtdiensten moeten worden gestimuleerd omdat zij kunnen ingaan op de behoeften in de buurt en tegelijkertijd werkgelegenheid en opleiding kunnen voorzien voor de laaggeschoolde en werkloze bewoners.
7. Veelzijdig wonen in de wijk: nieuwe woonvormen duurzaam integreren Gezinnen met kinderen moeten ook in de stad kunnen wonen, er moet ook plaats zijn voor sociale woningen in gemeenten. Dit betekent een diversiteit aan woningen in het straatbeeld. Wijkontwikkelingsprojecten moeten de kwaliteit in de wijk centraal moeten stellen: aantrekkelijk groen, met veel ontmoetingsruimte, maar ook verkeersluw met inzet van duurzame materialen. Er moet aandacht zijn voor nieuwe woonmodellen en nieuwe woonvormen waar betrokkenheid en solidariteit centraal staan. Door steun aan nieuwe woonvormen willen we inspelen op de wooncultuur van de 21ste eeuw. Sommige mensen willen terug in gemeenschap wonen, in oude en nieuwe zorgverbanden. Andere mensen willen gemeenschappelijke woonprojecten zelf realiseren.
7.1 Nieuwe, creatieve woonvormen ondersteunen • Experimenten zoals cirkelwonen het wonen rondom open pleinen of binnenhoven als nieuw woonmodel, waarbij bewoners meer betrokken zijn op elkaar, promoten. Tegelijk kan er nieuwe vrije ruimte komen door auto’s te hergroeperen in compacte buurtparkings, door het vergroenen van binnenruimtes van bouwblokken, door koterijen en binnengebouwen te slopen of tuinmuren te verwijderen of te vervangen door hagen.
• De gemeente zet een pilootproject kangoeroewonen op (woonvorm waarbij verschillende generaties, niet noodzakelijk familie van elkaar, apart maar onder één dak wonen en elkaar helpen).
7.2 Levenslang wonen De vergrijzing is een uitdaging voor de woonmarkt. Veel ouderen overwegen een andere woonvorm. Hun huis is bijvoorbeeld te groot geworden. Of ze hebben nood aan extra zorg of aanpassingen in hun huis. Door aangepaste woningen en woonvormen wordt het mogelijk dat ouderen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en/of zelfstandig kunnen blijven leven. • Steden en gemeenten moeten mensen bijstaan (informatie, subsidies) bij het aanpassen van hun woningen met het oog op levenslang wonen.
• Gemeenten investeren in projecten van groepswonen voor ouderen, bestaande uit zelfstandige woningen met tenminste 1 gemeenschappelijke ruimte, met gezamenlijke activiteiten en wederzijdse hulp.
• Optimaal aansluiten van zorg, wonen en welzijn in woonzorgzones en zorgkruispunten. Een woonzorgzone is een gewone wijk of dorp met een centaal zorgkruispunt, dat de
zorg in de wijk op elkaar afstemt en coördineert. In een woonzorgzone zijn ook woonvormen waar bewoners intensieve zorg kan worden geboden.
Een duurzaam lokaal economisch en werkgelegenheidsbeleid Groen! wil dat de verschillende overheden kiezen voor een sociaal en ecologisch duurzame economie. Ecologisch duurzaam heeft onder meer te maken met een drastische vermindering van de hoeveelheid gebruikte grondstoffen en energie in de productie en het economisch verkeer. Een economisch systeem dat zich ontwikkelt binnen de ecologische grenzen, en zo geen ecologische schuld doorschuift naar de andere kant van de wereld of de toekomstige generaties is duurzaam. Sociaal duurzaam heeft onder meer te maken met het gelijkwaardig betrekken van alle groepen van de maatschappij in het economisch gebeuren. Overheden hebben een actieve rol te spelen in het garanderen van sociale rechtvaardigheid in het economisch gebeuren. Lokale besturen kunnen binnen de mogelijkheden die zij hebben heel wat keuzes maken die een sociaal-ecologisch duurzame economie bevorderen. Zo kunnen zij bijdragen aan het verminderen van de ecologische impact van het lokaal economisch gebeuren, aan het stimuleren van kleinere economische kringlopen en aan het versterken van de positie van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Voorstellen 1. Duurzame bedrijven Duurzame bedrijven vinden het niet alleen belangrijk om aan omzet of winst te denken, maar hebben ook oog voor hun werknemers, klanten en omgeving. Maatschappelijk verantwoord ondernemen kan gestimuleerd worden door het afsluiten van ‘duurzaamheidscontracten’. De gemeente kan lintbebouwing, winkelcentra aan de rand, leeglopende stadscentra, leegstaande winkelruimten tegengaan door de beschikbare bedrijventerreinen zo zuinig en zo compact mogelijk aan te snijden. Bij het aanwijzen van bedrijventerreinen moeten duurzaamheidprincipes worden gehanteerd. 1.1 Duurzaamheidscontracten tussen de gemeente en grotere bedrijven uit de gemeente • Als eerste concrete stap naar maatschappelijk verantwoord ondernemen sluit de gemeente ‘duurzaamheidscontracten’ af met de grotere bedrijven op haar grondgebied, in de eerste plaats met nieuwe bedrijven die zich komen vestigen in de gemeente. Dit contract kan gekoppeld worden aan het in concessie geven van gronden op bedrijventerreinen. In geval van bovenlokale bedrijventerreinen kan de lokale overheid op zijn minst op een soortgelijke regeling aandringen bij hogere overheden. Een duurzaamheidscontract wordt opgesteld volgens volgende criteria:
. het sociaal nut van de productie, waarbij ook rekening gehouden wordt met de gevolgen op langere termijn (garanties op lokale werkgelegenheid niet enkel op korte, maar ook op langere termijn; de afstemming van de bedrijvigheid op de behoeftes en het arbeidspotentieel binnen de lokale gemeenschap) . een ecologisch verantwoorde productiewijze: t.a.v. eigen werknemers, consumenten, omwonenden, het natuurlijk milieu. . sociale en democratische werkvoorwaarden – recrutering (in de mate van het mogelijke) van werknemers uit de directe omgeving en uit specifieke doelgroepen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt (b.v. allochtonen, jongeren, personen met een handicap) . een bedrijfsvervoerplan waarin de mobiliteitsdruk door het woon-werk-verkeer en het transport van goederen, zo laag mogelijk gehouden wordt en zoveel mogelijk gebeurt via milieuvriendelijke vervoerswijzen . de bereidheid een bijdrage te leveren aan de versterking van de lokale economie (b.v. via een engagement in een stuurgroep locale economie of in een gemeentelijk ontwikkelingsbedrijf).
1.2 Extra steun voor duurzame bedrijven • De gemeente ondersteunt in het bijzonder bedrijven die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen en maximaal mens- en milieuvriendelijk willen ondernemen (zoals de MEMO-bedrijven).
1.3 Een sterk grond- en pandenbeleid • De lokale diensteneconomie versterken kan door actieve steun aan buurt(beheer)bedrijven en een sterk grond- en pandenbeleid. Dat kan door werk te maken van wijkontwikkeling, door leegstand en verkrotting tegen te gaan en door bij te dragen aan het herontwikkelen van verouderde kantoren of bedrijven of het saneren van vervuilde sites. Zo kunnen we ruimte maken in de stad om te werken en te ondernemen zonder voortdurend nieuwe ruimte aan te snijden. Dat werkt bindend voor het sociaal weefsel van een gemeenschap. Bovendien is het absurd om alsmaar meer baanwinkels en shoppingcentra te bouwen met onze vergrijzende bevolking.
1.4 Beurzen voor samenaankoop van bedrijfsruimte door KMO’s • In eerste instantie worden leegstaande bedrijfsruimten herbruikt.
• Naar analogie met beurzen voor de aankoop van leegstaande gebouwen, kunnen ook beurzen georganiseerd worden waarbij KMO’s of zelfstandigen de mogelijkheid krijgen om samen een groter bedrijfsgebouw te kopen of te huren. Voor grote projecten kan dit het best via een gemeentelijk ontwikkelingsbedrijf of een PPS-constructie.
• De gemeente kan verder voorzien in een aanbod van sociale winkelpanden naar analogie met sociale woningen.
1.5 Versnelde sanering van vervuilde bedrijfsgronden • De gemeente stuurt aan op een snelle sanering van vervuilde bedrijfsgronden, zodat deze opnieuw in gebruik genomen kunnen worden (brownfields). De gemeente kan steunen via toelagen of kan zelf mee het initiatief nemen om in samenwerking met de OVAM en de privésector gronden te saneren en terug op de markt te brengen.
1.6 Duurzame bedrijventerreinen • Voor de duurzame ontwikkeling van bedrijventerreinen zijn in de eerste plaats een goede planning en een goed parkmanagement nodig. Daarnaast gaat het om ingrepen op het terrein, zoals bouwen in meerdere lagen, boven- en ondergronds, het beperken van parkings en ruimtes tussen bedrijven, het uitbouwen van gemeenschappelijke voorzieningen, het onderling uitwisselen van reststromen en restwarmte, terreinoverkoepelende bedrijfsvervoerplannen (pendelbussen, gezamenlijk woonwerkverkeer,…), samenaankoop van goederen en diensten (b.v. elektriciteit), ophalen van KGA.
• De lokale overheid stelt voorwaarden aan alle bedrijventerreinen inzake zuinig ruimtegebruik. De gemeente kan voorzien in subsidies voor de opmaak van collectieve vervoersplannen, de opzet van gemeenschappelijke diensten op bedrijfsterreinen (clustering) of rationeel energiegebruik.
• De gemeente kan een sociaal-ecologisch bedrijvencentrum (eco-park of memo-park) inrichten voor bedrijven die maximaal willen voldoen aan sociale en ecologische criteria. Dit centrum kan door de gemeente mee ecologisch beheerd worden en dienst doen als voorbeeldproject.
2. Lokaal winkelen Buurtwinkels zorgen voor werkgelegenheid en hoge arbeidsintensitiviteit. Handelaars en handelsverenigingen vormen mee het cement van wijken en buurten. Buurtwinkels, vooral gevestigd in dorpskernen en wijken van stedelijke gebieden buiten de handelskern, hebben een belangrijke sociale functie en een buurtverzorgend karakter. Door hun ondersteuning van diverse initiatieven houden ze het verenigingleven in stand. Ze fungeren als ontmoetingsplaats en vervullen een sociale controlefunctie. De voorbije vijf jaar verdween één derde van alle buurtwinkels in Vlaanderen. De Ikea-wet stimuleert grote winkelcentra buiten de kernen. Gemeenten kunnen daar tegen ingaan en de winkelstraten in hun kernen bewust beschermen. • Steden spelen de nabijheid (verwevenheid) van de ruimtelijke functies wonen, winkelen, werken meer als troef uit om een halt toe te roepen aan het weglekken van vitale economische functies uit de stad. Hiervoor is nood aan een ruimtelijk beleid met visie: kiezen voor het versterken van de kernen, sturen van het vestigingsbeleid van winkels, herwaardering van winkelstraten (winkelcentra) in kernen, ontraden van baanwinkels en shoppingcentra buiten de kernen.
• Bij aanvragen voor nieuwe handelscentra of belangrijke uitbreidingen van bestaande handelscentra houdt de gemeente rekening met de optimale synergie tussen de nieuwe of uit te breiden handelsinplanting en de bestaande handelszaken. De plaatselijke handelaars worden optimaal geïnformeerd en betrokken bij het voorafgaande beslissingsproces. De gemeente houdt rekening met hun advies over de aanvragen, en beslist over de aanvragen binnen de wettelijk voorziene termijnen.
• Daarnaast kiest een stad beter voor meer compacte handelskernen en winkelstraten via winkelstraatmanagement. Soms kunnen herwaarderingsinspanningen beter op bepaalde delen van winkelstraten of –kernen geconcentreerd worden. Voor andere delen kan een opwaardering van de woonfunctie zinvoller zijn. Er komen financiële stimuli voor wonen boven winkels.
• De gemeente kan een strategisch commercieel plan opmaken waarbij de detailhandel en in het bijzonder de buurtwinkel een plaats krijgen. Bij stadsvernieuwingsprojecten of bij woonontwikkelingsprojecten neemt de gemeente ook expliciet voorzieningen voor buurtverzorgende handel op. Zo worden jongere ondernemers gestimuleerd om een eigen zaak te beginnen, en is voor lokale bewoners een basisaanbod van buurtvoorzieningen gegarandeerd.
• De gemeente stimuleert winkelen in eigen buurt door promotie van plaatselijke winkels via een promotiecampagne, renovatiepremies, vestigingssubidie voor jonge handelaars die een leegstand handelspand omvormen tot buurtwinkel, een stadsspaarkaart, of met waardebonnen om (nieuwe) buurtbewoners aan te zetten te shoppen in eigen buurt. Groen! wil geen afbouw van de openbare diensten. Buurtwinkels kunnen ook een aantal diensten van de Post, de Lijn of de NMBS opnieuw opnemen en zo als een ‘service-punt’ fungeren.
• De gemeente kan ook een sociale rol spelen in de lokale distributie, door stimuli te geven voor boodschappendiensten of – omgekeerd – door dienstverlening, leveringen aan huis (de postbode, de melkboer, de kruidenier) aan te moedigen.
• Ook markten boeren steeds meer achteruit. Groen! wil markten juist stimuleren omwille van hun belangrijke sociale functie. Daarbij hebben we in het bijzonder aandacht voor biomarkten. Via lokale bio-boerenmarkten en hoeveproducten, wil Groen! lokale landbouwproducten via korte ketens stimuleren. Zo’n producten leggen minder kilometers af, de boer krijgt een eerlijke inkomen en de band tussen producent en consument wordt hersteld.
• De gemeente profileert zich als een “Fair Trade”-gemeente“.
3. Landbouw als volwaardige economische sector Productie van lekker en gezond voedsel is de kerntaak is van de landbouw, zeker in een dicht bebouwd land als Vlaanderen. De landbouw moet echter ook kunnen inspelen op de nieuwe trends die zich in Europa en Vlaanderen voordoen. Een diversificatie maakt de boer bovendien minder conjunctuurafhankelijk. En die diversificatie is nodig, want het gemiddeld inkomen van de landbouwer daalt: • De boer als natuur- en landschapsbeheerder. Boeren moeten nog meer gestimuleerd worden om - eventueel samen met natuurverenigingen - aan agrarisch natuurbeheer te doen. De gemeente moet boeren financieel aanmoedigen om over te schakelen naar biologische landbouw, zeker in kwetsbare gebieden.
• De boer als schakel in de toeristische ontwikkeling van een streek. Zeker nu de toekomst van de intensieve landbouw door Europa in vraag gesteld wordt, zijn alternatieve vormen van inkomen noodzakelijk om de landbouwsector te laten overleven. Naarmate de kwaliteit van het landschap toeneemt, nemen ook de mogelijkheden van het toerisme toe, via het opzetten van een netwerk van boerderijverblijven of het promoten van streekproducten.
4. Lokaal aan het werk De grote uitdaging voor veel lokale besturen is om vraag en aanbod op de lokale werkgelegenheidsmarkt beter op elkaar af te stemmen. Stad en/of streek worden de regisseur van het arbeidsmarktbeleid en zo erkend als dé partner voor de Vlaamse en federale overheid. Elke stad/streek heeft haar eigen arbeidsmarkt met haar eigen problemen. De ene streek heeft grote tekorten aan werkzoekenden tout court. De andere stad heeft een probleem van mobiliteit. VDAB, lokaal bestuur en middenveld werken gezamenlijk op lokaal niveau en met de nodige middelen om de drempel op de arbeidsmarkt weg te werken. 4.1 Lokale werkwinkels • Een voldoende aanbod aan lokale werkwinkels is nodig. De werkwinkels worden verder uitgebouwd als het éne loket waar alle werkvragen van werkzoekenden, werkgevers en werkenden samenkomen. Er is een onmiddellijke en gerichte doorverwijzing. De werkwinkel vervult een regisseursrol: (nieuwe) lokale dienstenwerkgelegenheid wordt aangestuurd en georganiseerd.
• In een lokale werkwinkel kan elke werkzoekende terecht, ook werkzoekenden zonder uitkering en bijstandstrekkers. Het OCMW wordt volwaardig bij de werking van de lokale werkwinkels betrokken. De lokale overheid speelt hier een sturende rol spelen en sluit overeenkomsten met de grote institutionele partners (VDAB en RVA).
• Werkwijzers en PWA’s werken meer samen en specialiseren zich als consulenten voor moeilijke doelgroepen. De werkwinkel biedt alle informatie aan startende of
Als u ook continu op de hoogte wenst te blijven van de grootste trend van de laatste 50 jaar genaamd 'energie' schrijft u zich dan in voor onze nieuwsbrief( d.m.v. ons rapport " 11 manieren om 10-70% op uw energie- geld en brandstofrekening te besparen)".
|
|